Opdracht: "De whisky is op, maar bier en wijn is er genoeg." Een zin die in vele Nederlandse huiskamers dagelijks te horen is. Niks mis mee. Maar waarom zeggen we niet: “Er zijn genoeg bier en wijn”?
Wel eens van een singulare tantum gehoord? Zand is er een. Zeep. Rijst. Allemaal stofnamen die geen meervoud kennen en waar geen lidwoord ‘een’ voor kan staan. Doorgaans dan, want een slijter die het hoog in de bol heeft, pleegt zijn waar aan te prijzen als ‘exclusieve bieren en wijnen’. Tegenwoordig zien we zelfs bonenmalers die ‘alleen de beste koffies’ verkopen.
En hoe zit ’t dan als de drankenboer zijn nieuwste bordeaux als ‘een voortreffelijke wijn’ afficheert? Hoezo kan er dan geen ‘een’ voor staan? Dat komt omdat het in dat geval om een specifieke wijn gaat. ‘Wijn’ heeft hier een soort ‘totum pro parte’-functie: het geheel als beschrijving van een deel.
In algemene zin, namelijk als beschrijvende termen voor de genotsmiddelen bier, wijn en koffie, van welke kwaliteit en afkomst dan ook, behoren 'bier’, ‘wijn’ en ‘koffie’ wel degelijk tot de singularia tantum, ofwel de niet-telbare zelfstandige naamwoorden.
Een meervoudsvorm van die woorden ervaren we op z’n minst als raar, maar vaker als absurd. Tenzij u al eens twee melken hebt besteld. Dus zelfs als de congruentieregel tussen onderwerp en persoonsvorm ons dwingt tot meervoud, krijgen we een zin als ‘Er zijn genoeg bier en wijn’ niet over de tong.
Singularia tantum hoeven trouwens geen stofnamen te zijn. Muzieken, hockeys en rommels bestaan ook niet. Evenmin als Dordognes, heelallen en aardrijkskundes. Is er ook zoiets als een plurale tantum? Uiteraard. Of hebt u ooit een mazel gehad? Een onkost gemaakt? Op uw hurk gezeten?